Haïti's Soupe Joumou


Revolutie, onafhankelijkheid en het nieuwe jaar: Haïti's Soupe Joumou

Er was eens een tijd dat het Haïtiaanse volk reden had nieuwjaarsdag te vieren. Het was 1 januari 1804, en na een verbeten strijd van dertien jaar tegen de Franse overheersers, hadden de Haïtianen eindelijk hun onafhankelijkheid bereikt.

Als overwinningsmaal kozen de Haïtianen voor de soep die zij als slaven niet mochten eten. Soep gemaakt van joumou, een heerlijke en aromatische pompoen, zo anders dan het dagelijkse rantsoen van een slaaf: een ons gezouten vlees of vis en een fles limonade. Tijdens de viering van de onafhankelijkheid, zo gaat tenminste het verhaal, werd een enorme ketel pompoensoep gemaakt in de stad Gonaïves en iedereen kreeg daarvan zijn deel. Waarom? Een gezamenlijke maaltijd om voor altijd de banden van broederschap te smeden en een zonnige nationale toekomst te vieren.

Was het maar zo gemakkelijk geweest.

Het verhaal achter die zeer symbolische ketel soep op nieuwjaarsdag is niet vrolijk. De Spanjaarden waren heer en meester in Haïti van 1492 tot 1697 (Vrede van Rijswijck). In die periode stierf de gehele inheemse bevolking van Arawak-indianen, importeerden de Spanjaarden suikerriet van de Canarische Eilanden en zetten ze plantages op met behulp van slaven uit Afrika.

De Fransen die daarna het bewind overnamen, verloren geen tijd en transformeerden de onderbevolkte bergen en valleien in productiecentra voor suikerriet, indigo en katoen. Dat deden ze met 2.500 slaven in 1698, 10.000 slaven in 1701 en meer dan 500.000 slaven in 1791. De meeste van hen waren afkomstig uit het huidige Kongo, Angola, Benin, Guinee en Senegal. De slaven leefden en werkten onder zeer onmenselijke omstandigheden en stierven dan ook met duizenden tegelijk. Nieuwe slaven werden dan ook constant aangevoerd.

In 1789 begon de Franse revolutie: Liberté, Egalité, Fraternité, Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. En ja, dat gold dan ook voor Haïti, vond de Nationale Assemblee, in ieder geval voor de vrije mulatten, de kinderen van Fransen en hun Afrikaanse slaven. De kolonisten in Haïti waren het met die conclusie volstrekt niet eens en zetten zo'n sterk tegenoffensief in dat de Nationale Assemblee die uitspraak herriep in 1791.

De Haïtiaanse mulatten konden hun oren niet geloven en begonnen onmiddellijk met een grootscheepse mobilisatie van de slaven. Zo begon de opstand geleid door grote namen als Toussaint L'Ouverture, Henri Christophe en Jean-Jacques Dessalines: eerst tegen de Franse kolonisten, toen tegen de Spanjaarden en de Britten die de 'Parel van de Antillen' weg zagen slippen uit Franse handen, en tenslotte tegen de Fransen zelf toen Napoleon een regiment stuurde om een einde te maken aan 'de zwarte regering en de slavernij opnieuw in te voeren. 'Dertien jaar duurde de strijd en na 300.000 dode Haïtianen en 50.000 dode Fransen gaf Frankrijk op. Generaal Rochambeau kreeg tien dagen om zijn leger in te pakken en te vertrekken.

En dat brengt ons terug bij de dageraad van 1804 en die ketel met pompoensoep.

Toen het laatste Franse schip was weggevaren bij Le Cap, stuurde Dessalines bericht aan Gérin in Les Cayes: 'er is geen twijfel mogelijk, mon cher général, het land is van ons.' In Gonaïves verdeelde hij de oorlogskas, acht gourdes per soldaat, hij stuurde zijn leger naar de belangrijkste steden en hij verzamelde zijn generaals om de tafel om 'met inkt vast te leggen wat we geschreven hebben met bloed.'

Op 1 januari 1804 verzamelde een grote menigte zich 's morgens vroeg op het Place des Armes in Gonaïves. Dessalines sprak de menigte toe. Hij herinnerde hen aan de wreedheid van de slaventijd, in het Creool zodat iedereen hem kon verstaan, en hij verklaarde dat voortaan alle Haïtianen voor altijd vrij konden leven en sterven. 'Lang leve de onafhankelijkheid', riep hij aan het eind van de ceremonie, zonder te weten wat voor een moeilijk leven dat zou zijn. Kanonnen werden afgevuurd, kerkklokken luidden, mensen juichten en, zo gaat het verhaal, de lucht rook heerlijk naar soupe joumou, klaar om opgediend te worden.

'
Een prachtig beeld. Geen wonder dat deze soep het boegbeeld is geworden van de vurige wens van vrede en vrijheid, het symbool van gemeenschap en broederschap, een baken dat de huidige situatie van armoede en voortdurende politieke strijd nog enigszins verlicht. Eén ding is zeker, op 1 januari eten en delen Haïtianen overal ter wereld pompoensoep om het verleden te herdenken en op een betere toekomst te hopen.

Er zijn ook nog andere verhalen over de soep. Sommige mensen zeggen dat het geluk brengt om deze soep te eten, sterker nog, het brengt ongeluk als je dat niet doet. Anderen zeggen dat de soep bedoeld is om het lichaam te zuiveren voor het nieuwe jaar, en op oudejaarsavond moet je niets eten tot middernacht. Dan moet je een sinaasappel eten en tellen hoeveel pitten erin zitten, het aantal pitten zegt iets over jouw geluk in het nieuwe jaar. Weer anderen zeggen dat de soep een hommage is aan de voodoogod Papa Loko, de bewaker van de Afrikaanse spirituele tradities, en dat het eten van de soep de ziel verheft en leidt tot voorspellingen.

In ieder geval is het een rijk-gevulde soep. In het Creool zou je zeggen dat de soep gevuld was met dub, joumou, kawot, seleri, zanyon, nave, pomdete, malanga, en shou, en gekruid met piman bouk, ten, lay, en sitwon.

Klik hier voor het recept

terug naar activiteitenagenda